Beleggers-ABC

AAA

AAA of 'Triple A' is de benaming van het laagste kredietrisico of de hoogste kredietwaardigheid van een onderneming of lening. Kredietwaardigheidsoordelen zijn afkomstig van rating agencies als Standard & Poor's, Moody's en Fitch.

Aandeel

Bewijs van deelname in het kapitaal van een NV of BV. Bezit van een aandeel geeft het recht om te delen in de winst en geeft stemrecht tijdens de aandeelhoudersvergadering. Lees meer over het beleggen in aandelen.

Aandelenfonds

Een beleggingsfonds dat alleen belegt in aandelen.

Aanwijzing (Assignment)

Als u een aandelenoptie heeft 'geschreven', bestaat de kans op aanwijzing (in het Engels: Assignment). Dit betekent dat u de onderliggende waarde (het aandeel) tegen de uitoefenprijs van de optie moet kopen (in het geval van een putoptie), of verkopen in het geval van een calloptie. Bij indexopties en valutaopties wordt in contanten afgerekend.

Achtergestelde obligatie

Lening die bij faillissement pas wordt terugbetaald nadat gewone obligaties en andere leningen of schuldeisers zijn afbetaald. De risico’s zijn iets groter dan van een gewone lening en de rente is meestal iets hoger.

AEX

Amsterdam Exchanges Index (AEX). Index van de 25 grootste beursgenoteerde fondsen op de Amsterdamse effectenbeurs, gemeten naar beurswaarde.

Afgeleide producten

Financiële instrumenten waarvan de prijs is afgeleid van een bestaande onderliggende waarde. Het zijn meestal rechten of plichten om die onderliggende waarde te kopen of te verkopen. Voorbeelden zijn opties en futures (termijncontracten).

AFM

Autoriteit Financiële Markten. De AFM houdt toezicht op het gedrag van iedereen die actief is op de markt van sparen, lenen, beleggen en verzekeren. Zo kan de AFM boetes uitdelen aan banken, maar bijvoorbeeld ook aan beleggers die met voorkennis hebben gehandeld.

Amortisatie

Aflossing van een lening in termijnen.

AMX

Afkorting voor Amsterdam Midkap Index. Dit is de index van de 25 fondsen die de grootste beurswaarde vertegenwoordigen op de Amsterdamse effectenbeurs na de fondsen in de AEX. De AMX wordt ook wel Midkap genoemd.

Assetallocatie

Spreiding van te beleggen vermogen over de verschillende beleggingscategorieën, zoals zakelijke waarden (bijvoorbeeld aandelen, vastgoed en grondstoffen) en vastrentende waarden (obligaties).

At-the-money

Situatie waarin de uitoefenprijs van een optie gelijk is aan de actuele koers van de onderliggende waarde.

Basispunt

Een basispunt is een honderdste procentpunt (0,01%).

Beheerkosten

De kosten voor het beheer van een beleggingsfonds.

Beheervergoeding

Vergoeding die de fondsbeheerder voor het beheren van het beleggingsfonds in rekening brengt. De beheervergoeding wordt ook wel managementfee genoemd en wordt meestal uitgedrukt als een percentage van het totale fondsvermogen.

Beleggingsfonds

In een beleggingsfonds wordt het ingelegde geld van verschillende beleggers samengevoegd en beheerd door fondsmanagers. Een fonds kan beleggen in aandelen, vastrentende waarden of onroerend goed, of in een combinatie van deze categorieën. Het is een praktische manier om uw beleggingen te spreiden.

Beleggingshorizon

De beleggingshorizon is de totale periode waarin u wilt beleggen. Uw beleggingshorizon is van belang om te kunnen bepalen welk soort beleggingen het beste bij u passen.

Beleggingsprofiel

Een beleggingsprofiel bepaalt welk type belegger u bent en welke beleggingsfondsen het beste bij u passen. Elk beleggingsprofiel heeft een specifieke verhouding tussen beleggen in zakelijke waarden zoals aandelen en vastrentende waarden (obligaties).

Beleidsrente

Dit is de kortetermijnrente die een centrale bank rekent voor haar transacties met commerciële banken. In de eurozone wordt de beleidsrente bepaald door de Europese Centrale Bank (ECB) en in de Verenigde Staten door de Federal Reserve (de 'Fed').

Benchmark

Objectieve maatstaf waarmee het resultaat van een beleggingsportefeuille wordt vergeleken. Een benchmark kan bijvoorbeeld de AEX-index zijn.

Bestedingsruimte

Het bedrag dat u vrij kunt besteden om beleggingen te kopen. Voorbeeld van een berekening van uw bestedingsruimte: saldo beleggingsrekening minus het bedrag aan lopende orders.

Bestensorder

Opdracht tot aan- of verkoop van effecten, waarbij geen koerslimiet is opgegeven. Zeker bij het kopen van beleggingen waarin niet veel gehandeld wordt, is het niet raadzaam om dit type order te gebruiken. Vraag (biedprijs) en aanbod (laatprijs) kunnen dan zo ver uit elkaar liggen, dat de kans groot is dat u teveel betaalt voor de belegging of er te weinig voor ontvangt.

Bewaarloon

Kosten die de bank maakt voor het registreren en bewaren van uw beleggingen.

Biedkoers

De prijs waarvoor beleggers bereid zijn om een bepaalde belegging te kopen.

Black Friday

De vrijdag na Thanksgiving. Dan begint in de VS traditioneel het seizoen waarin kerstcadeautjes worden gekocht. Die aankopen moeten voor de winkelbedrijven van de rode jaarwinstcijfers (verlies dus) weer zwarte cijfers maken (winst). De winkelomzetten op Black Friday zijn voor beleggers een indicatie hoe het jaar zal worden afgesloten.

Blue chips

Aandelen van grote, bekende en financieel sterke ondernemingen. Door het betrouwbare imago zijn deze aandelen relatief duur. Bij poker hebben de blauwe fiches ('blue chips') de hoogste waarde, vandaar deze bijnaam.

Boek (Orderboek)

Het (order)boek laat zien welke koersen op een bepaald moment voor een bepaalde belegging worden geboden en gevraagd (bied- en laatkoersen).

Broker

Engelse term voor tussenpersoon voor handel in beleggingen.

Bull-markt

Markt waarin de koersen in een stijgende trend bewegen, met de verwachting dat deze trend doorgaat.

Bulletlening

Lening die aan het eind van de looptijd in één keer wordt afgelost.

Calloptie

Een verhandelbaar recht om een onderliggende waarde (bijvoorbeeld een aandeel) op een bepaald moment te kopen tegen een afgesproken prijs. U kunt dit recht kopen en verkopen. Verkopen van een optie noemen we ook wel 'schrijven'.

Cashdividend

Dividenduitkering in de vorm van contanten. De tegenhanger is stockdividend: dividend in aandelen.

Cash-settlement

Afwikkeling van derivaten zoals opties en futures in contanten. Vooral aan de orde bij transacties in derivaten met niet-leverbare onderliggende waarden, bijvoorbeeld een indexoptie.

Centrale bank

Instelling die optreedt als bank van de banken. Beheert ook de deviezenreserve, zorgt voor uitgifte van bankbiljetten en bepaalt de rente en het monetaire beleid. In Europa is dit de Europese Centrale Bank (ECB) met als 'filiaal' de Nederlandse Bank (DNB).

Claim

Bestaande aandeelhouders kunnen bij de inschrijving op een nieuwe aandelenemissie een voorkeursrecht krijgen. Dit recht wordt een ‘claim’ genoemd en is meestal op de beurs verhandelbaar. Claims zijn ook los verhandelbaar en kunnen dus geld waard zijn.

Claimemissie

Emissie (aandelenuitgifte) waarbij de bestaande aandeelhouders van het betreffende bedrijf een aantal claimrechten krijgen toegewezen op basis van het aantal aandelen dat zij van het bedrijf in bezit hebben. Met deze claimrechten kan men zich dan inschrijven op nieuw uit te geven aandelen.

Converteerbare obligatie

Wordt ook wel ‘convertible’ genoemd. Obligatie die onder bepaalde voorwaarden kan worden omgewisseld naar aandelen van hetzelfde bedrijf. De uitgevende instelling (het bedrijf) bepaalt deze voorwaarden.

Coupon

Deel van de obligatie dat tegen inlevering recht geeft op rente.

Credit rating

Indicatie van de kredietwaardigheid van (de uitgever van) een lening. Rating agencies als Fitch, Moody’s en Standard & Poor’s beoordelen continu de kredietwaardigheid van uitgevende bedrijven en overheden. De hoogste rating is AAA (triple A). Leningen uit de bovenste ratingklassen worden ‘investment grade’ genoemd (eersteklas debiteuren). Met de laagste ratings heten ze ‘junk bonds’ (rommel-leningen). Daar tussenin zit ‘high yield’ (hoogrentende obligaties).

Dagorder

Order die alleen geldig is op de dag waarop hij verstrekt is.

Daytrading

Dit is het gedurende de beursdag ('intraday') kopen en verkopen van beleggingen om te profiteren van prijsfluctuaties tijdens de handelsdag. Voor het einde van de handelsdag worden alle posities gesloten.

Debiteurenrisico

De kans dat een bedrijf of uitgevende instantie zijn verplichtingen niet nakomt. Dit hangt af van de financiële positie van de debiteur.

Depot

Effecten die door een klant aan een bank in bewaring zijn gegeven.

Derivaten

Financiële instrumenten waarvan de prijs is afgeleid van een bestaande onderliggende waarde zoals een aandeel of een index. Derivaten zijn meestal rechten of plichten om die onderliggende waarde te kopen of te verkopen op een zeker moment in de toekomst. Voorbeelden zijn opties en futures (termijncontracten).

Dividend

Winstuitkering van een onderneming aan een aandeelhouder. Bij een contant dividend (cash dividend) ontvangt de aandeelhouder een bedrag op zijn rekening. Bij stockdividend is de uitkering in aandelen.

Dividendbelasting

Ingehouden belasting op het uitgekeerde dividend. Vaak is deze verplichte inhouding 15%.

Dividendrendement

Het uitgekeerde dividend, uitgedrukt in procenten van de koers van het aandeel. Voorbeeld: € 2,25 dividend bij een koers van € 50 betekent een dividendrendement van € 4,5%.

DNB

De Nederlandse Bank; de centrale bank van Nederland. Deze zorgt samen met de Europese Centrale Bank voor stabiele prijzen. DNB is daarnaast toezichthouder voor een soepel en veilig betalingsverkeer en solide en integere financiële instellingen.

Doorrollen

Als een belegger zijn positie in opties of futures wil aanhouden nadat deze zijn afgelopen, kan hij de positie ‘doorrollen’. Dit wordt de lopende positie gesloten en wordt opnieuw dezelfde positie ingenomen, maar dan met een uitoefendatum (afloopdatum) verder in de toekomst.

Dow Jones Index

De Dow Jones Index (of 'de Dow') is de afkorting van de Dow Jones Industrial Average en is de bekendste graadmeter van de Amerikaanse aandelenbeurs. De index wordt berekend op basis van de aandelenkoersen van 30 toonaangevende bedrijven.

Duurzaam beleggen

Hierbij wordt belegd in obligaties en aandelen van ondernemingen die in hun beleid en hun doen en laten rekening houden met de gevolgen daarvan voor mens, milieu en maatschappij.

ECB

De Europese Centrale Bank (ECB) is de centrale bank van de 19 lidstaten van de Europese Unie die op de euro zijn overgegaan. Hoofdtaak is het handhaven van prijsstabiliteit in het eurogebied, waardoor de koopkracht van de euro in stand wordt gehouden.

Effecten

Verzamelnaam voor aandelen, obligaties, opties, futures en alle andere op een effectenbeurs verhandelbare beleggingen.

Effectenkrediet

Een krediet, bijvoorbeeld voor de financiering van de aankoop van effecten, waarbij effecten die al in bezit zijn als onderpand dienen.

EMD

Afkorting voor het Engelstalige 'emerging market debts'. Aanduiding voor leningen (schuldpapier) uitgegeven door overheden of bedrijven uit opkomende markten.

Emissie

Uitgifte van financiële instrumenten, zoals aandelen of obligaties.

Essentiële beleggersinformatie

Een document waarin in begrijpelijke taal belangrijke informatie staat over beleggingsfondsen, ETF's en indexfondsen. Deze informatie is wettelijk verplicht en is bedoeld om u meer inzicht te geven in de aard en risico’s van beleggen in deze producten.

ETF (tracker)

Een ETF (‘exchange traded fund’) is een beleggingsproduct dat de koers van een onderliggende waarde (zoals een index) zo goed mogelijk volgt. ETF’s zijn doorlopend verhandelbaar tijdens openingsuren van de beurs. Daarin verschillen ETF’s van indexfondsen. Die volgen zo goed mogelijk de koersontwikkeling van een index maar kennen maar één keer per dag de gelegenheid om in- of uit te stappen. Lees meer over het beleggen in ETF's.

Euribor

Euribor staat voor Euro Interbank Offered Rate. Het zijn de gemiddelde rentepercentages waartegen een groot aantal Europese banken elkaar leningen verstrekt. De actuele rentes worden dagelijks telefonisch opgevraagd waarna deze bekend worden. Als de Euribor-rentes sterk stijgen of dalen, passen banken ook vaak de rentepercentages aan van spaarrekeningen, creditcards, hypotheken en andere producten van een bank.

Euronext Amsterdam

De Amsterdamse effectenbeurs

Ex-dividend

De beursdag na de aandeelhoudersvergadering waarop de dividenduitkering wordt vastgesteld gaat een aandeel ‘ex-dividend’. Het noteert dan tegen een lagere koers; de waarde van het dividend is van de koers afgehaald (normale koersbewegingen niet in aanmerking genomen).

Execution only

Beleggingsdienstverlening door bank of commissionair waarbij geen advies wordt gegeven. U neemt uw beleggingsbeslissingen helemaal zelf, dus zonder hulp van een adviseur.

Exercise

Het uitoefenen (Engels: to exercise) van het recht dat een optie geeft. Bij een calloptie is dit het recht om de onderliggende waarde (bijvoorbeeld de aandelen) op de afloopdatum tegen de uitoefenprijs te kopen en bij een putoptie geldt dan het omgekeerde: recht op verkoop tegen de uitoefenprijs.

Expiratiedatum

De datum waarop een optie afloopt (expireert).

Fondsbeheerder

Organisatie, beleggingsteam of persoon die verantwoordelijk is voor het beleggingsbeleid (beheer) van het door beleggers toevertrouwde vermogen aan een beleggingsfonds. De term wordt ook gebruikt voor fondshuizen als Robeco, BlackRock of NN Investment Partners.

Freeze

Als er zich bij een fonds grote koersschommelingen voordoen, wordt de handel in dat fonds voor korte tijd stilgelegd. Dit wordt aangeduid met het Engelse begrip ‘freeze’.

FTSE 100

Financial Times Stock Exchange 100 Index, koosnaam 'footsie' (spreek uit: foetsie). De FTSE 100 is de hoofdindex van de Londense beurs, de London Stock Exchange.

Future

Een future (termijncontract) is een afgeleid beleggingsproduct met hefboomwerking. Net als een optie geeft een future het recht op koop of verkoop van een bepaalde hoeveelheid van een onderliggende waarde. Alleen vindt bij futures dagelijks contante afrekening plaats van de waardeverandering. Dat kan een groot verlies zijn. Daarom moeten beleggers eerst een bufferbedrag storten, de ‘margin’. Als die slinkt, moet de belegger bijstorten.

Garantiefonds

Dit is een gestructureerd product. Sommige garantiefondsen garanderen een uitbetaling van 100% van de inleg op de einddatum, andere een deel hiervan. Ook zijn er varianten waarbij u op de einddatum gegarandeerd uw inleg plus een bepaald rendement krijgt. Een voorbeeld van een garantieproduct is een Liric.

Gestructureerde producten

Beleggingsproducten die, bijvoorbeeld met behulp van optieconstructies, zijn afgeleid van financiële instrumenten zoals een index. Er zijn gestructureerde producten met meer of minder risico dan wanneer u een financieel instrument direct op de beurs zou kopen. Voorbeelden zijn: Turbo’s, converteerbare obligaties en Lirics.

Herbelegging

Het beleggen van de opbrengst van eerdere beleggingen. Bijvoorbeeld herbelegging van uitgekeerd dividend in hetzelfde aandeel. Of herbelegging van de verkoopopbrengst bij een switch van de ene naar de andere belegging in een beleggingsportefeuille.

High yield

Obligaties die zijn uitgegeven door minder kredietwaardige bedrijven. Het verwachte rendement (maar ook het risico) op deze obligaties is hoger dan op staatsleningen.

Index

Een verzameling beleggingen die volgens voorwaarden is samengesteld om een goede indicatie te geven van een bepaalde markt. Voorbeelden zijn de AEX-index, de S&P 500 Index en de MSCI World Index.

Indexfonds

Een indexfonds is een ‘tracker’ in de vorm van een beleggingsfonds met slechts één handelsmoment per beursdag. Trackers volgen zo goed mogelijk de waardeontwikkeling van een onderliggende waarde, zoals een index.

Inflatie

Geldontwaarding. Voor de economie is het goed als een munt voortdurend een klein beetje van zijn koopkracht verliest. Dus als de gemiddelde prijzen in een economie jaar op jaar geleidelijk iets stijgen. De Europese Centrale Bank, die ook in ons land moet zorgen voor prijsstabiliteit, streeft er bijvoorbeeld naar om de inflatie in de eurozone dicht bij, maar net iets onder de 2% op jaarbasis te houden.

Inflation-linked bonds

(Staats)obligaties waarvan de rentecoupon en de aflossing zijn gekoppeld aan een officiële inflatie-index. Als de inflatie stijgt, krijgen beleggers meer rente en wordt ook het bedrag van de aflossing groter. De basisrente is wel lager dan van ‘gewone’ obligaties.

In the money

Een calloptie is ‘in the money’ als de onderliggende waarde hoger is dan de uitoefenprijs bij een calloptie of lager bij een putoptie. Voorbeeld: de koers van een onderliggende waarde is € 10 en de calloptie heeft een uitoefenprijs van € 9. De calloptie heeft dan intrinsieke waarde (in dit geval € 1) en is dus 'in the money'. Bij een putoptie geldt het omgekeerde.

Intraday

Engelse term voor 'gedurende de beursdag'.

Institutionele belegger

Grote instelling die beroepsmatig belegt met middelen van derden, zoals beleggingsfondsen, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen.

Interimdividend

Tussentijds dividend, uitgekeerd uit de winst van het lopende boekjaar. Mag pas na 6 maanden en maximaal twee keer per jaar.

Intrinsieke waarde

Werkelijke waarde van onderliggende beleggingen. Begrip dat behalve bij beleggingsfondsen ook wel 'net asset value' (NAV) wordt genoemd. Veel gebruikte term in de optiehandel. Bij callopties is de intrinsieke waarde gelijk aan de beurskoers van de onderliggende waarde, minus de uitoefenprijs van de optie. Als de koers van de onderliggende waarde € 10 is en de calloptie daarop heeft een uitoefenprijs van € 9, dan heeft de calloptie een intrinsieke waarde van € 10 - € 9 = € 1.

Jaarrekening

De jaarrekening van een onderneming bevat de balans, de verlies- en winstrekening en een toelichting op beide.

Joint venture

Samenwerkingsverband tussen twee of meer ondernemingen. De samenwerking kan zowel eenmalig als langdurig zijn.

Junk bonds

Dit zijn risicovolle obligaties die worden uitgegeven door bedrijven zonder documentatie over hun winsten en verliezen, of door bedrijven met een slechte kredietwaardigheid.

Koers

De marktprijs van een belegging, zoals aandelen, obligaties of grondstoffen. De koers wordt bepaald door de verhouding tussen vraag en aanbod. Daarom is een koers ook steeds in beweging. De openingskoers is de eerste prijs na de opening van een handelsdag. De slotkoers is de laatste prijs bij de sluiting van een handelsdag. Bij obligaties wordt de koers weergegeven als een percentage van de nominale waarde. Bij aandelen is de koers uitgedrukt in geld.

Koersreactie

Een koersdaling na een periode van koersstijgingen.

Koersrendement

Het verschil tussen het bedrag waarvoor een belegging is gekocht en waarvoor het is verkocht. Dit rendement is uitgedrukt in percentages en kan zowel positief (bij koerswinst) als negatief (bij koersverlies) zijn. Het totale rendement (total return) bestaat uit een optelsom van zowel het koersrendement als het dividendrendement.

Koersrisico

Het risico dat een belegger loopt dat de koers van het financiële instrument waarin hij heeft belegd, daalt, zodat hij verlies lijdt.

Koerssprong

Een plotselinge sterke stijging van een koers. Vaak het gevolg van nieuws of geruchten, bijvoorbeeld over een overname.

Koersval

Een plotselinge sterke daling van een koers. Vaak het gevolg van nieuws of geruchten.

Koersverlies

Het verlies bij een negatieve koersontwikkeling. Het koersverlies is gerealiseerd als de belegging is verkocht en iemand daadwerkelijk verlies heeft geleden. Bij een ongerealiseerd koersverlies heeft iemand de belegging niet verkocht en zou de koers nog kunnen stijgen of dalen.

Koerswinst

De winst bij een positieve koersontwikkeling. De koerswinst is gerealiseerd als de belegging is verkocht en iemand daadwerkelijk winst heeft gemaakt. Bij een ongerealiseerde koerswinst heeft iemand de belegging niet verkocht en zou de koers nog kunnen stijgen of dalen.

Koers-winstverhouding

Verhouding tussen de koers en de nettowinst van een aandeel. Beleggers kunnen aan de hand van de koers-winstverhouding een aandeel vergelijken met dat van soortgelijke bedrijven of met het gemiddelde van een sector. Zo kunnen zij bepalen of een aandeel relatief duur of juist goedkoop is.

Laatkoers

De prijs waartegen verkopers bereid zijn een bepaald effect te verkopen (zie ook 'Biedkoers').

LIBOR

London Interbank Offered Rate (LIBOR). Rente die de banken elkaar in rekening brengen voor leningen aan elkaar.

Limiet

Hoogste koers waartegen een koper wil kopen of de laagste koers waartegen een verkoper wil verkopen.

Liquiditeitsrisico

Het risico dat beleggingen niet of nauwelijks verhandeld kunnen worden op de beurs. Bijvoorbeeld doordat het slecht gaat met een bedrijf, zodat de belegger zijn beleggingen niet kan verkopen.

Lokale fondsen

Aandelen die maar op één beurs genoteerd staan. Het gaat daarbij meestal om kleinere bedrijven.

Long-positie

Verkopen van effecten die men niet heeft, om zo te kunnen profiteren van een stijging van de beurskoers. Dit heet ook wel 'long gaan'. De effecten worden gekocht van een andere partij.

Looptijd

Periode waarbinnen een bepaald effect verhandelbaar is.

Margin

Hiermee wordt het geldbedrag bedoeld dat een bank reserveert om risico's af te dekken. Er wordt margin berekend op het moment dat er ongedekt opties worden geschreven. In sommige gevallen mag de margin ook in de vorm van een onderpand worden aangehouden.

Marktrente

De rente zoals die op een bepaald moment wordt gehanteerd op de kapitaal- en geldmarkt. De marktrente is van invloed op bijvoorbeeld de koers van obligaties. Een dalende rente is vaak positief voor het rendement op obligaties en een stijgende marktrente juist negatief. Zie ook ‘renterisico’.

Marktrisico

Het risico waar alle beleggingen door worden beïnvloed en dat samen hangt met de algemene economische situatie. Voorbeelden zijn periodes van groei of achteruitgang van de economie, maar ook belastinghervormingen. Ook de mate van beweeglijkheid van beurskoersen valt hieronder.

Midkap

Index van de 25 fondsen die de grootste beurswaarde vertegenwoordigen op de Amsterdamse effectenbeurs na de fondsen in de AEX. De Midkap wordt ook wel AMX genoemd (Amsterdam Midkap Index).

MiFiD

Afkorting voor Markets in Financial Instruments Directive (MiFID). Het is een Europese richtlijn om beleggers te beschermen. Ook richt MiFid zich op het bevorderen en waarborgen van transparante en efficiënte Europese financiële markten.

Mixfonds

Een beleggingsfonds dat tegelijkertijd belegt in aandelen, obligaties, vastgoed en vastrentende waarden.

Monetair beleid

Het geheel van maatregelen dat een Centrale Bank kan nemen om prijsstabiliteit te houden of te krijgen. Vaak streven zij hierbij naar een inflatie van rond 2%.

MSCI Index

Index die de koersontwikkeling van een groot aantal beursgenoteerde ondernemingen in de wereld weerspiegelt.

NASDAQ

National Association of Securities Dealers Automated Quotations (NASDAQ). Amerikaanse beurs waarop vooral aandelen van technologiebedrijven worden verhandeld. Een van de grootste beurzen ter wereld.

NIKKEI Index

Afkorting voor 'Nikkei Stock Index'. Een aandelenindex die bestaat uit ruim 200 aandelen die worden verhandeld op de Japanse beurs (Tokyo Stock Exchange).

Nominale waarde

Bij obligaties: grootte van de schuldvordering.

NYSE

De New York Stock Exchange. De grootste beurs van de Verenigde Staten, en tegelijkertijd de grootste beurs ter wereld. Als beleggers het over ‘Wall Street’ hebben, bedoelen ze vaak de NYSE. Er worden zowel aandelen verhandeld als opties, beleggingsfondsen en afgeleide producten.

Obligatie

Obligaties zijn leningen die worden uitgegeven door bedrijven of overheden. Als u een obligatie koopt, leent u geld uit aan een onderneming (bedrijfsobligaties) of een overheid (staatsobligaties). Meestal ontvangen obligatiehouders een vergoeding in de vorm van ‘couponrente ’.
Lees meer over het beleggen in obligaties.

Onderliggende waarde

De onderliggende waarde is het effect waar een optie van is afgeleid. Dit kunnen aandelen zijn, maar bijvoorbeeld ook grondstoffen. Bij een aandelenoptie bestaat de onderliggende waarde vaak uit 100 aandelen. U koopt bijvoorbeeld het recht om voor een specifiek tijdstip (de afloopdatum) 100 aandelen Heineken te kopen of te verkopen. En dit dan tegen een vooraf vastgestelde prijs (de uitoefenprijs).

Onderwegen

Minder in een aandeel, sector of land beleggen dan volgens de benchmark gebruikelijk is. Tegengestelde is 'overwegen'.

Openingskoers

De eerste prijs van een effect na de opening van een handelsdag.

Opkomende landen

Landen met een snelgroeiende economie. Ze worden ook wel 'emerging markets' genoemd.

Ongoing charges (lopende kosten)

Dit is het percentage van de totale fondswaarde dat opgaat aan beheervergoeding en operationele kosten die de fondsbeheerder doorlopend voor het fonds berekent.

Optie

Opties zijn afgeleide producten: iemand koopt of verkoopt niet de effecten zelf, maar het recht om een hoeveelheid effecten binnen een afgesproken periode te kopen of verkopen.
Lees meer over het beleggen in opties.

Optiepremie

De prijs van een optie. De optiepremie is variabel en bestaat uit de intrinsieke waarde plus de tijd- en verwachtingswaarde.

Optieserie

Alle opties met dezelfde expiratiedatum, uitoefenprijs en onderliggende waarde.

Out-of-the-money

Een optie is out-of-the-money als bij een calloptie de beurskoers lager is dan de uitoefenprijs. Bij een putoptie geldt het omgekeerde.

Passief beleggen

Beleggen waarbij exact de samenstelling van een benchmark wordt gevolgd, meestal een index. Met de doelstelling om een vergelijkbaar rendement als de benchmark te halen. Dit wordt ook wel indexbeleggen genoemd.

Perpetual

Betekent 'eeuwigdurend'. Wordt gebruikt bij obligaties die geen vooraf vastgestelde looptijd hebben.

Preferent aandeel

Aandeel dat als het gaat om de winstverdeling van een bedrijf of organisatie voordelen biedt boven een gewoon aandeel.

Prospectus

Document met voornamelijk financiële informatie over een onderneming die aandelen of obligaties wil uitgeven. Geeft onder meer aan welke risico’s beleggers lopen, welke kosten zij betalen en hoe de waarde van beleggingen wordt vastgesteld. Ondernemingen zijn in veel gevallen verplicht om een door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) goedgekeurd prospectus beschikbaar te stellen. Soms is er sprake van een vrijstelling van de prospectusplicht, bijvoorbeeld als een onderneming effecten aanbiedt met een nominale waarde van € 100.000 of meer. Kijk voor meer informatie op de website van de AFM. Hier vindt u ook een register met alle door de AFM goedgekeurde prospectussen.

Putoptie

Een putoptie geeft u het recht om tegen een vooraf vastgestelde uitoefenprijs aandelen te verkopen. Als u putopties koopt, speculeert u dus op een koersdaling.

Er zijn geen beleggingstermen gevonden.

Recessie

Economische teruggang. Gewoonlijk wordt van een recessie gesproken als negatieve groei twee achtereenvolgende kwartalen aanhoudt.

Renterisico

De waarde van bepaalde beleggingen daalt wanneer de marktrente stijgt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij obligaties. Zie ook 'marktrente'.

Reverse Convertible

Dit is een obligatie waarbij de uitgever aan het einde van de looptijd bepaalt of de obligatie wordt uitbetaald in geld of in een vooraf vastgelegd aantal aandelen. Dit in tegenstelling tot een converteerbare obligatie waarbij de belegger deze keuze heeft.

Risicopremie

Dit is het extra rendement op een obligatie of aandeel, omdat het risico groter wordt geacht dan gemiddeld. Wordt ook wel ‘risico-opslag’ genoemd. Het inschatten van de kredietwaardigheid van bedrijven en landen vindt plaats door kredietbeoordelaars. Hoe lager de kredietwaardigheid van een bedrijf of land wordt ingeschat, des te hoger het risico dat de uitgever van een obligatie niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Dit betekent een hogere risico-opslag op de bedrijfs- of staatsobligaties. In het geval van een hoge kredietwaardigheid zal de risico-opslag lager zijn dan gemiddeld.

Royeren

Ongedaan maken. Een opdracht royeren betekent dat u een reeds opgegeven opdracht laat intrekken. Aan het royeren van lopende opdrachten zijn geen kosten verbonden.

Schrijven (van opties)

Het verkopen van een optie. Tegen ontvangst van een premie gaat men de verplichting aan om aandelen te leveren tegen de uitoefenprijs (calloptie) of aandelen af te nemen tegen de uitoefenprijs (putoptie).

SEC

Securities & Exchange Commission (SEC). Amerikaanse overheidsinstantie die toezicht houdt op de handel in effecten op Amerikaanse beurzen.

Sentiment

Stemming (op de beurs). Kan positief of negatief zijn en is afhankelijk van heel veel factoren. Zoals de winstcijfers van bedrijven, politieke omstandigheden of economische ontwikkelingen.

Short-positie

Verkopen van effecten die men niet heeft om zo te kunnen profiteren van een daling van de beurskoers.

Slotkoers

Laatste koers van een bepaald effect bij de sluiting van een handelsdag.

Sluitingskoop

Terugkopen van een geschreven optie. Hiermee ontdoet men zich van de bij de optie behorende plicht tot koop of verkoop van de onderliggende waarde.

Sluitingsverkoop

Het verkopen van een gekochte optie. Hiermee gaat het bij de optie behorende recht tot koop of verkoop van de onderliggende waarde teniet.

Small caps

Aandelen van bedrijven met een kleine beurswaarde (aantal uitstaande aandelen vermenigvuldigd met de beurskoers).

Split-up

Splitsing van een aandeel in kleinere coupures van hetzelfde fonds.

Spread

Het verschil tussen bied- en laatprijzen van een bepaalde belegging en tussen het rendement van verschillende soorten obligaties. Zo kan het verschil tussen 'veilige' en 'risicovolle' staatsobligaties soms behoorlijk oplopen. Dit verschil wordt de 'spread' genoemd.

Sprinter

Een ING Sprinter is een beursgenoteerd beleggingsproduct. Met een ING Sprinter kunt u versneld profiteren van een koersstijging of een koersdaling van een aandeel. Maar ook van een index, grondstof, obligatie of valuta.

Stockdividend

Dividend dat wordt uitgekeerd in de vorm van aandelen.

Straddle

Optiestrategie waarbij de belegger tegelijkertijd een call- en putoptie koopt of schrijft. Deze opties hebben dezelfde afloopmaand, uitoefenprijs en onderliggende waarde.

Strangle

Optiestrategie waarbij een belegger tegelijkertijd een call- en een putoptie koopt of schrijft. Deze opties hebben dezelfde afloopmaand maar verschillende uitoefenprijzen.

Technische analyse

Analysemethode waarbij in koersgrafieken en andere marktdata wordt gezocht naar trends en herkenbare patronen om de strategie te bepalen.

Tijd- en verwachtingswaarde (opties)

Dit is het verschil tussen de optiepremie (de koers) en de intrinsieke waarde. De intrinsieke waarde van een calloptie wordt berekend door de beurskoers minus de uitoefenprijs. De intrinsieke waarde van een putoptie is de uitoefenprijs minus de beurskoers. De tijds- en verwachtingswaarde worden beïnvloed door de resterende looptijd en de koersbeweeglijkheid van de onderliggende waarde.

Total expense ratio (TER)

Een maatstaf voor de kosten die een beleggingsfonds in rekening brengt aan aandeelhouders. De TER wordt berekend door de totale kosten van een fonds te delen door de gemiddelde waarde van het fonds in een periode (meestal een jaar).

Tracker (ETF)

Een Tracker is een beleggingsproduct dat een index op de voet volgt. Technisch gezien is een tracker een beleggingsfonds waarin alle aandelen van een index zijn opgenomen in een identieke verhouding.

Trend

Dit is een algemene richting waarin een markt of een koers zich beweegt in een bepaalde periode.

Uitoefenprijs

De uitoefenprijs van een optie is de koers waartegen de onderliggende waarde kan worden gekocht of verkocht op de afloopdatum. Bij een gekochte calloptie kunt u tegen die prijs de aandelen kopen en bij een gekochte putopties die verkopen.

Valutarisico

Het risico dat men loopt dat de waarde van vreemde valuta die men bezit (of in de toekomst gaat bezitten), verandert ten opzichte van de valuta waarin een belegger rekent (de 'thuisvaluta'). Dit risico loopt u als u bijvoorbeeld aandelen koopt die in Amerikaanse dollars staan genoteerd.

Vastrentende waarden

Beleggingen in de vorm van (meestal verhandelbare) schuldbewijzen. Hierop wordt tijdens de hele looptijd een vast bedrag aan rente uitgekeerd. Op de vervaldatum wordt de gehele hoofdsom terugbetaald. Bij vastrentende waarden gaat het meestal om obligaties.

VEB

Vereniging van Effectenbezitters. Deze organisatie behartigt de belangen van beleggers.

Volatiliteit

De beweeglijkheid van de koers(en), oftewel de mate waarin koersen stijgen of dalen per tijdseenheid. Van sommige markten wordt een volatiliteitsindex bijgehouden. De VIX is dat van de S&P 500 Index (Noord-Amerikaanse aandelen) en staat bekend als ‘angstgraadmeter’. Het is mogelijk om te beleggen in opties op de VIX.

Voorkennis

Al op de hoogte zijn van koersgevoelige informatie die nog niet algemeen bekend is (gemaakt). Wie 'handelt met voorkennis', probeert op grond van deze informatie winst te maken met een beleggingstransactie. Handelen met voorkennis is strafbaar.

Warrant

Een warrant is een afgeleid beleggingsinstrument met hefboomwerking. Warrants zijn te vergelijken met opties. Een belangrijk verschil is dat opties door de beurs geïntroduceerd worden en warrants door een onderneming of financiële instelling worden uitgegeven. Ook zijn veel kenmerken van opties gestandaardiseerd (zoals de contractgrootte van honderd). Bij warrants kunnen andere kenmerken worden afgesproken.

Wet op het financieel toezicht (Wft)

Wet waarin het toezicht op de financiële sector in Nederland is vastgelegd.

Er zijn geen beleggingstermen gevonden.

Er zijn geen beleggingstermen gevonden.

Zakelijke waarden

Verzamelnaam voor beleggingen in aandelen, alternatieve beleggingen, grondstoffen en onroerend goed. Staat tegenover vastrentende waarden (obligaties). Zakelijke waarden zijn gemiddeld risicovoller dan vastrentende waarden. In tegenstelling tot vastrentende waarden heeft u niet de garantie dat u de nominale waarde terugkrijgt.

Zero bond

Ook wel ‘zero coupon bond’. Obligatie die tussentijds geen rente uitkeert. Bij aflossing ontvangt de belegger de nominale waarde van de obligatie. Gedurende de looptijd zal de koers oplopen van de introductiekoers tot ‘pari’ (nominale waarde) op de einddatum. Deze waardestijging is te zien als rente.

Zwarte maandag

Beursbegrip voor de zware, wereldwijde koersval op aandelenmarkten van maandag 21 oktober 1987.